
Ontwerpend samenwerken: wie je meeneemt bepaalt wat je ziet
Er is een groot verschil tussen creatieve werkvormen en ontwerpend samenwerken. In het eerste geval zet je een techniek in om meerdere partijen te betrekken bij het ontwerp van een oplossing. In het tweede geval is het een proces dat de deelnemers zelf verandert.
Creatieve werkvormen en hun blinde vlek
In de wereld van maatschappelijke opgaven zijn creatieve werkvormen populair. Je brengt de juiste mensen bij elkaar, je werkt met post-its en beeldkaarten, en aan het einde heb je een gedragen plan. De werkwijze levert snel resultaat.
Maar in die aanpak zit een blinde vlek. Wat er uit het oog verloren raakt, is wat er met de mensen zelf gebeurt.
Perceptieverschuivingen als kern van het leerproces
O'Donnell en collega's onderzochten hoe een ontwerpproces deelnemers in staat stelde om op een fundamenteel andere manier naar een stedelijk vraagstuk te kijken (O'Donnell et al., 2026). Hun vertrekpunt was groenbeheer in een stad, hun methode was bijzonder: ze betrokken nadrukkelijk niet-menselijke perspectieven in het ontwerpproces. Natuur, fauna, toekomstige generaties kregen een volwaardige plek aan tafel.
De activiteiten waren gericht op inleving, verbeelding en belichaming. Deelnemers werden uitgenodigd om letterlijk vanuit een ander perspectief te denken en te voelen. En wat er vervolgens gebeurde, was opmerkelijk: de meeste deelnemers beschreven een perceptieverschuiving. Door hun deelname aan het ontwerpproces begonnen ze de werkelijkheid anders te zien.
Dat is het onderscheid dat de methode bijzonder maakt. Intellectueel nadenken over een ander perspectief is wezenlijk anders dan het tijdelijk aannemen en ervaren van dat perspectief. Je kunt begrijpen dat een park waardevol is voor de fauna die er leeft; je kijkt anders naar datzelfde park als je bent uitgenodigd om er als die fauna over te spreken. Het lichaam opent een weg die de analyse niet biedt.
Wie je meeneemt bepaalt wat je kunt zien
Bij het werken aan maatschappelijke opgaven is de volgende vraag van belang: wie hoort hier eigenlijk bij, ook als ze nog niet weten dat ze erbij horen? En wie ondervindt de gevolgen van dit vraagstuk, maar heeft nog nooit een plek aan tafel gehad?
Deze vraag is zo belangrijk omdat een groep beleidsmakers en onderzoekers een opgave heel anders zal leren zien dan een groep waarin ook de mensen zitten die de gevolgen van die opgave dagelijks voelen. De samenstelling van de groep bepaalt mede welke werkelijkheid zichtbaar wordt. En welke werkelijkheid zichtbaar is, bepaalt welke oplossingen denkbaar zijn.
Het onderzoek van O'Donnell en collega's voegt daar iets aan toe: zelfs binnen een groep van mensen van wie je de perspectieven al kent, kunnen ontwerpende werkvormen deelnemers helpen om voorbij hun eigen referentiekader te treden. Dat vraagt oefening in inleving, in verbeelding, in het tijdelijk loslaten van de eigen positie.
Ontwerpen als reframing
De ontwerpbenadering is een van de drie lenzen waarmee ik kijk naar levende netwerken. Ze begint met het bevragen van de vraag zelf. Dorst (2015) noemt dat design abductie: terugdenken vanuit de gewenste waarde. Wat wil hier eigenlijk ontstaan? En welk frame maakt de weg daarheen zichtbaar?
In de praktijk van maatschappelijke opgaven heeft een ontwerpproces de meeste waarde als het de vraag zelf verschuift. Als deelnemers de zaal verlaten met een andere manier van kijken naar wat er op het spel staat.
Wie ontbreekt er aan jouw tafel?
Voor de deelnemers en begeleiders van opgavenetwerken is dit een uitnodiging om twee vragen te stellen. De eerste is de voor de hand liggende: hoe zorgen we dat de juiste mensen meedoen in het ontwerp? De tweede is minder vanzelfsprekend: hoe zorgen we dat de perspectieven die er zijn, ook echt gehoord worden?
Want er is een patroon dat regelmatig optreedt in netwerken: de samenstelling is divers, maar één stem voert de boventoon. Wie het meest zelfverzekerd is, het grootste budget beheert, of het langst betrokken is, bepaalt ongemerkt de toon. De diversiteit verdwijnt dan uit het gesprek.
Een bewust ontworpen ontwerpproces kan dat patroon doorbreken. Door de condities te scheppen waarbinnen andere perspectieven echt zichtbaar worden. Een eenvoudige maar krachtige werkvorm die ik steeds vaker tegenkom, is de lege stoel: een plek aan tafel die niet voor een aanwezige is, maar voor de volgende generatie, de bewoner die niet is uitgenodigd, of het belang dat zelf geen stem heeft. Iemand neemt letterlijk die plek in en spreekt vanuit die positie.
Van methode naar houding
Het verschil tussen creatieve werkvormen en ontwerpend samenwerken is uiteindelijk een verschil in houding. In het eerste geval zet je een gereedschap in om tot een gedragen plan te komen. In het tweede geval is het een oefenruimte waarin deelnemers leren kijken door de ogen van iemand anders, misschien zelfs door de ogen van wat zelf geen stem heeft, maar wel de gevolgen van de besluiten zal dragen.
Die tweede vorm vraagt meer. Van de begeleider en de deelnemers. Van de opdrachtgever die bereid moet zijn een vraagstuk echt open te gooien.
Maar de opbrengst is ook van een andere orde. Een plan dat is gemaakt door mensen die zichzelf hebben laten veranderen door het maakproces zelf, draagt iets in zich wat een uitkomst van een goed gestructureerde participatiesessie niet heeft: het zijn andere mensen geworden. Ze kijken anders. Ze werken anders. En dat werkt door in de aanpak en de oplossingen van het opgavenetwerk, lang nadat de workshop voorbij is.
Referenties
Dorst, K. (2015). Frame innovation: Create new thinking by design. MIT Press.
O'Donnell, M., Pineda-Pinto, M., Kennedy, C. L., McPhearson, T., Bloodgood, L., & Collier, M. J. (2026). Exploring multispecies co-design for social-ecological transformation. Ecology and Society, 31(2), 21. https://ecologyandsociety.org/vol31/iss2/art21/

