
Van wie is de energie?
In een woonwijk aan de rand van Utrecht beslist een groep van dertig huishoudens samen over de energie die ze opwekken, opslaan en verdelen. Ze hebben een coöperatie opgericht, zonnepanelen op een gemeenschappelijk dak, en afspraken gemaakt over wie aanspraak maakt op welk deel van de opbrengst. De overheid kijkt toe, het energiebedrijf sluit een leveringscontract af, en de buurt vergadert twee keer per jaar over de koers.
Wie is hier eigenlijk de eigenaar van die energie?
De vraag achter de vraag
De energietransitie wordt meestal benaderd als een technisch en economisch vraagstuk: hoeveel zonnepanelen, hoeveel windmolens, welke infrastructuur, welk prijsmechanisme. Dat zijn reële vragen — maar ze raken niet aan een fundamentelere kwestie: van wie is energie eigenlijk?
Die vraag wordt urgenter nu de transitie zich verplaatst naar buurten en coöperaties. Daar wordt energie niet alleen geproduceerd en verhandeld, maar ook gezamenlijk georganiseerd. Niet als product, maar als gemeenschapsgoed, een commons.
Onderzoek naar zulke energie-commons laat zien dat dit meer is dan een alternatieve organisatievorm. Het verschuift het perspectief op energie zelf: van handelswaar naar gedeelde hulpbron. Daarmee komen andere vragen naar voren — over eigenaarschap, zeggenschap en bestuur (Fouladvand et al., 2026).
Drie werelden, één systeem
Wie naar deze initiatieven kijkt, ziet dat ze zich vrijwel altijd bewegen op het snijvlak van drie werelden: overheid, markt en samenleving.
De overheid brengt legitimiteit, kaders en publieke doelen. De markt brengt technologie, schaal en operationele capaciteit. De samenleving brengt betrokkenheid, vertrouwen en lokaal eigenaarschap.
De energietransitie brengt deze werelden niet alleen samen, maar schuurt ze ook tegen elkaar aan. De overheid kan richting geven, maar niet zelf realiseren. De markt kan leveren, maar reduceert energie tot handelswaar. De samenleving kan initiëren en verbinden, maar heeft niet altijd de schaal en continuïteit om dat vol te houden.
Energie-commons ontstaan precies in dat spanningsveld. Ze combineren elementen van alle drie — en worden daardoor complexer, maar ook potentieel rijker.
Vijf paradoxen die alles bepalen
Wat het werk van Fouladvand, Bauwens en Ghorbani sterk maakt, is dat zij deze complexiteit niet wegsimplificeren. Energie-commons worden niet gekenmerkt door oplossingen, maar door terugkerende spanningen. Vijf paradoxen die steeds opnieuw opduiken.
1. Inclusief én exclusief
Commons streven naar brede deelname, maar kennen altijd grenzen. Investeringen, toegang tot infrastructuur en sociale netwerken bepalen wie mee kan doen — en wie niet.
2. Lokaal én meerschalig georganiseerd
Energie-commons zijn lokaal verankerd, maar functioneren binnen nationale netwerken, Europese regelgeving en mondiale klimaatopgaven.
3. Alternatief voor de markt én onderdeel ervan
Commons ontstaan vaak vanuit een verlangen naar autonomie en democratisering, maar opereren tegelijkertijd binnen marktsystemen en zijn daarvan afhankelijk.
4. Opwekking én de bredere keten
Initiatieven richten zich vaak op productie en gebruik, maar raken onvermijdelijk ook aan grondstoffen, infrastructuur en ecologische impact.
5. Uniforme modellen én lokale variatie
Er is een groeiende behoefte aan standaardisering en opschaling, terwijl succesvolle commons juist sterk contextafhankelijk zijn.
Navigeren in spanning
Energie-commons functioneren niet ondanks deze spanningen, maar doordat ze ermee werken. Juist doordat ze voortdurend moeten balanceren tussen inclusie en afbakening, autonomie en afhankelijkheid, idealen en realiteit, ontwikkelen ze nieuwe vormen van governance.
Dat vraagt om permanent navigeren.
Wie zit er aan tafel, en wie niet? Welke waarden wegen wanneer zwaarder? En wie beslist daarover?
Commons die deze vragen blijven stellen, bouwen iets op wat in klassieke systemen moeilijk te organiseren is: een gedeelde praktijk van eigenaarschap.
De commons als platform
Je kunt een energie-commons zien als een platform: een infrastructuur waarin verschillende vormen van waarde samenkomen. Economisch rendement, ecologische verantwoordelijkheid, sociale verbondenheid en democratische zeggenschap bestaan er naast elkaar.
Dat maakt zulke initiatieven krachtig en kwetsbaar.
Zodra ze groeien, neemt de druk toe om te vereenvoudigen — om ze te reduceren tot één dominante logica: een marktproduct, een beleidsinstrument, of een sociaal programma. Maar daarmee verdwijnt precies wat ze interessant maakt: de meervoudigheid.
De uitdaging is dus niet om te kiezen tussen die werelden, maar om ze in één structuur bijeen te houden zonder dat één logica dominant wordt.
Terug naar de vraag
En daarmee krijgt de openingsvraag een ander antwoord.
Van wie is die energie?
Niet van de overheid. Niet van het energiebedrijf. Niet van de individuele huishoudens. Maar ook niet van "iedereen".
De energie is van de gemeenschap die haar organiseert. Van degenen die deelnemen aan het proces van commoning: het voortdurend maken, onderhouden en heronderhandelen van die gemeenschap.
Eigenaarschap is hier geen statisch recht, maar een relationele praktijk.
Opvallend is dat dit perspectief inmiddels ook in beleid begint door te klinken. In de recente Kamerbrief versterking van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem zet het kabinet nadrukkelijk in op het dichter bij elkaar brengen van opwek, opslag en gebruik van energie, en op de rol van energiegemeenschappen daarin.
Tegelijk wordt die ontwikkeling vooral benaderd vanuit het systeem: als manier om netcongestie te verminderen, kosten te besparen en vraag en aanbod efficiënter op elkaar af te stemmen.
Daarmee ontstaat een spanning die niet alleen praktisch, maar ook bestuurlijk is: hoe stuur je op iets dat per definitie relationeel en situationeel is?
De praktijk van commons laat zien dat eigenaarschap zich niet laat vangen in infrastructuur of instrumenten. Het ontstaat in de manier waarop mensen samen organiseren, besluiten nemen en verantwoordelijkheid dragen — ook als belangen schuren en uitkomsten onzeker zijn.
En precies daarin ligt misschien wel de kern van de energietransitie.
Referentie
Fouladvand, J., Bauwens, T., & Ghorbani, A. (2026). The energy commons and commoning: Collective action in energy transitions. International Journal of the Commons, 20(1), 90–95. https://doi.org/10.5334/ijc.1681
Wil je hierover in gesprek of hiermee aan het werk, in relatie tot jouw eigen netwerk of opgave? Kijk dan op opgaveplatform.nl/aanbod voor de mogelijkheden om samen te werken.

